Onzakelijke leningen

Geplaatst op: 05 mrt 2019

Het komt in de praktijk met enige regelmaat voor dat een inspecteur het standpunt inneemt dat geldleningen tussen gelieerde vennootschappen kwalificeren als een ‘onzakelijke lening’.

In een zaak bij Rechtbank Gelderland was dat ook het geval. Op 29 januari 2019 oordeelde de Rechtbank dat de inspecteur de leningen inderdaad terecht als een onzakelijke lening had aangemerkt. Op dit oordeel van de Rechtbank valt wat ons betreft nog wel wat af te dingen.

Uitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2019:300

De vraag of een lening kwalificeert als een onzakelijke lening vergt een beoordeling van de feiten en omstandigheden van het geval. De bewijslast dat een lening een onzakelijke lening is, rust op de inspecteur: de belastingplichtige hoeft dus niet te bewijzen dat de lening geen onzakelijke lening is. Uit HR 13 januari 2012 volgt verder dat omstandigheden als (i) het overeenkomen van een lage rente (ii) de afwezigheid van formele zekerheden (iii) het ontbreken van een aflossingsschema en (iv) het bijschrijven van de rente, niets zeggen over waar het bij de kwalificatie van een onzakelijke lening in de kern om draait: het debiteurenrisico op het moment van geldverstrekking. Met andere woorden, bestaat er op het moment van geldverstrekking voldoende aanleiding om aan te nemen dat de schuldenaar de betreffende lening met rente terug kan betalen?

In deze zaak oordeelt de Rechtbank eerst dat de betreffende leningen geen ‘bodemloze-put’ leningen zijn. De Rechtbank baseert dit oordeel op het feit dat een half jaar voor het verstrekken van de leningen door een derde partij nog positieve prognoses zijn opgesteld. Volgens de Rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het X op het moment van geldverstrekking duidelijk moet zijn geweest dat de prognoses niet gehaald zouden worden. Daarbij is volgens de Rechtbank van belang dat op dat moment in samenspraak met de bank een pakket van maatregelen is afgesproken om de continuïteit van de schuldenaar te waarborgen.

Wat ons opvalt is dat de Rechtbank vervolgens helemaal niet meer terugkomt op dit oordeel over de positieve prognoses bij de beoordeling van de lening als onzakelijke lening. Onzes inziens zouden de prognoses en continuïteit van de B.V. op het moment van geldverstrekking juist erg belangrijk moeten zijn bij de beoordeling van het (zakelijke of onzakelijke) debiteurenrisico. De Rechtbank baseert haar oordeel dat sprake is van een onzakelijk debiteurenrisico op de volgende omstandigheden (i) het overeenkomen van een lage rente (ii) negatieve fiscale resultaten (iii) een negatief eigen vermogen en het feit dat zowel de bank als X al flinke vorderingen hebben op de B.V. (iv) de afwezigheid van formele zekerheden. Zoals blijkt uit genoemd arrest van de Hoge Raad, zijn de omstandigheden (i) en (iv) niet relevant bij de beoordeling van het debiteurenrisico. Wat verder opvalt is dat de Rechtbank de aanwezigheid van negatieve ‘fiscale’ resultaten als relevante omstandigheid in haar oordeel meeneemt. Wij zouden menen dat indien en voor zover resultaten uit het verleden al relevant zijn bij de beoordeling van het debiteurenrisico op het moment van geldverstrekking, dat het dan in ieder geval zal gaan om ‘commerciële’ resultaten en niet de ‘fiscale’ resultaten. Verder lijkt ons – gelet op de positieve prognoses, in combinatie met het oordeel van de Rechtbank dat X op het moment van geldverstrekking er niet vanuit hoefde te gaan dat de prognoses niet gehaald zouden worden – dat de door de Rechtbank genoemde omstandigheid (iii) op zichzelf bezien onvoldoende grond is voor een oordeel dat sprake is van een onzakelijke lening. Kortom: de motivering van het oordeel van de Rechtbank dat de leningen kwalificeren als onzakelijke leningen overtuigt ons geenszins.

Als gevolg van dit oordeel komt de Rechtbank toe aan de interessante subsidiaire stelling van X, dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’ die het nemen van een onzakelijk debiteurenrisico rechtvaardigen. Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer tussen een schuldeiser en een schuldenaar sprake is van een zakelijke relatie die ook bij afwezigheid van een concernrelatie voor die schuldeiser van voldoende gewicht zou zijn geweest om een lening onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden te verstrekken en het daardoor belopen debiteurenrisico te aanvaarden (zie ECLI:NL:HR:2016:2340). Interessant is dat X betoogt dat zij zelf weliswaar geen andere zakelijke relatie heeft met de schuldenaar, maar dat andere concernvennootschappen dat wel hebben. De vraag komt dan op of het bestaan van ‘indirecte’ zakelijke relaties voldoende zijn om een beroep te kunnen doen op de aanwezigheid van ‘bijzondere omstandigheden’. Uit ECLI:NL:GHSHE:2017:4427 zou opgemaakt kunnen worden dat dit inderdaad mogelijk is wanneer een "niet-onwaarschijnlijk" scenario geschetst kan worden waarin de opbrengsten uit de overige ‘indirecte’ zakelijke relaties een eventueel debiteurenverlies zouden kunnen overstijgen. De Rechtbank gaat inderdaad in op de door X gestelde ’indirecte’ zakelijke relaties, maar oordeelt dat het enkele bestaan van deze ‘indirecte’ zakelijke relaties op zichzelf van onvoldoende gewicht zijn om een (onzakelijk) hoog debiteurenrisico te rechtvaardigen. Kennelijk heeft X dus geen scenario kunnen schetsen waarin de voordelen uit de ‘indirecte’ relaties het eventuele debiteurenverlies zouden overstijgen.

Meer weten over onzakelijke leningen? Neem contact op met onze specialist
Martin Klomp.

De inhoud van deze publicatie is met zorg samengesteld, maar Lentink De Jonge aanvaardt geen verantwoordelijkheid voor hetgeen naar aanleiding van deze publicatie wordt ondernomen zonder deskundig advies.

 

Terug naar overzicht Facebook Linkedin Twitter Mail

Nieuwsbrief

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijft u zich nu vrijblijvend in voor onze nieuwsbrief.